Publicaties

A.D. MCMLXXIV

Inloggen voor leden

 
 
 
 

Brief aan minister juni 2019

 Aan de minister van Cultuur

Mevrouw mr. drs. l.K. van Engelshoven

Postbus 16375
2500 BJ Den Haag


Betreft:uw brief van 26 jun i2019 Datum:27 juni 2019

Excellentie,

Dank voor uw antwoord op onze brief van 29 meijl. Het is niet het antwoord waarop wij gehoopt hadden. U geeft in uw brief aan dat u onze inzet om de rijksmonumenten in ons land te behouden waardeert ,maar maakt tegelijkertijd duidelijk dat u niet van plan bent die inzet uit het extra budget voor monumentenzorg van € 325 miljoen te ondersteunen.

Bij de verdeling van het extra budget hebt u ervoor gekozen om naast VNG, IP en FGM met FIM te overleggen.Aangezien het Behouden Huis één van de 39 leden van FIM is, trekt u de conclusie dat de sector voldoende vertegenwoordigd is geweest . Dat is voor de Landelijke Federatie Het Behouden Huis niet het geval. De knelpunten bij de aangesloten leden hebben uw ministerie via de FIM blijkbaar niet bereikt ondanks het feit dat er vorig jaar diverse projecten in het kader van de regeling 2018 zijn ingediend.

U besteedt in uw brief geen aandacht aan de (voorbeelden van) knelpunten bij de leden van de LFHBH. U gaat helaas ook niet in op ons verzoek om een gesprek,waarin wij inzicht zouden kunnen geven in het grote aantal projecten dat wacht op enige vorm van (restauratie)subsidie.

Bij de beantwoording van onze vraag over de regeling 2019 - 2020 meldt u dat deze op verzoek van alle betrokken partijen een open regeling is geworden voor de groep monumenten waar de grootste knelpunten bestaan (met een ondergrens van € 2,5 miljoen subsidiabel). Dat is niet juist.


De FIM heeft u in haar brief van 6 september 2018 op pagina 3 het volgende geschreven:
"Restauraties
Voor 2018 is een specifieke regeling gemaakt voor het restaureren van monumenten, waaraan de FIM medewerking heeft verleend. Het is bijna vanzelfsprekend dat de uitkomsten de één tevreden stellen en de ander niet. In uw beleidsbrief stelt u grote monumenten en met name kerken centraal.
Begrijpelijk, want voor deze groep is aanvullend beleid hard nodig. Maar er mag niet vergeten worden dat er kleinere restauraties zijn, die ook de aandacht verdienen. De provinciale regelingen die hiervoor thans gelden, zijn qua omvang in veel gevallen onvoldoende. Bovendien is het relatief lage subsidiepercentage voor met name monumenten met weinig tot geen economisch draagvlak een groot probleem . Wij hopen dat deze elementen meegenomen worden in aanvullende restauratieregelingen voor dejaren 2019 tot en met 2021. Het overleg hierover is inmiddels gestart. Wij gaan er tenslotte vanuit dat deze regelingen voor elk monument toegankelijk zijn."

De LFHBH heeft in haar manifest, dat eind 2017 aan uw ministerie is overhandigd en besproken, geschreven:"Er zijn ook nu, net als in de vorige eeuw, categorieën monumenten waarvan de restauratiebehoefte omvangrijk en urgent is. Dat geldt bijvoorbeeld voor religieus erfgoed (met name kerken), industrieel erfgoed en agrarisch erfgoed: de oorspronkelijke functie verdwijnt, er ontstaat leegstand, het verval zet in. Dat is zeker buiten de grote steden een groot probleem, denk aan kerken in kleine kernen, boerderijen in krimpgebieden, bedrijfscomplexen op lastige locaties. Monumenten buiten de stedelijke gebieden hebben het relatief veel moeilijker omdat ze minder courant zijn: de markt biedt minder mogelijkheden tot transformatie, de investeringsruimte is minder.

Deze kwetsbare categorieën monumenten verdienen extra aandacht omdat een onrendabele top onvermijdelijk is. Zonder extra geld lijkt dat onmogelijk, weghalen bij de andere categorieën monumenten zal daar weer tot achteruitgang leiden. Het economisch en maatschappelijk belang van monumenten rechtvaardigt extra investeringen door de overheid, dat geldt zowel voor het Rijk als provincies en gemeenten. Daarbij moet ingespeeld worden op de betekenis van nieuwe bestemmingen om zo andere bronnen aan te boren."

Bij de beantwoording van onze vraag over de selectie van de 12 monumenten meldt u dat dit een pilot betreft en dat u ervaring opdoet in een meer structurele ondersteuning van iconische monumenten. Andere eigenaren die menen aan de criteria te voldoen,kunnen ook een aanvraag indienen na publicatie van de regeling. Als selectiecriteria gelden onder andere de ANBI-status voor de aanvrager en het hebben van vrijwilligers en een vrijwilligersbeleid bij de aanvrager. U sluit hiermee op voorhand de leden van de LFHBH uit. De Belastingdienst is op dit moment zelfs bezig met een actie om (de vrienden van) organisaties voor stadsherstel de ANBI-status te ontnemen.

Organisaties voor stadsherstel zelf zijn uitgesloten van de ANBI-status als gevolg van hun rechtsvorm. Ons inziens is het voldoende om te eisen dat de organisaties geen winstoogmerk hebben en voegt de eis van de ANBI-status niets toe; sterker nog: een belangrijk smaldeel van organisaties die als vangnet fungeren wordt daarmee buitenspel gezet.

Verder geeft u als selectiecriterium dat de werkzaamheden op het gebied van verduurzaming, toegankelijkheid en instandhouding niet in aanmerking komen voor één van de bestaande financieringen via het NRF. Wij maken u er op attent dat werkzaamheden op het gebied van instandhouding en verduurzaming altijd in aanmerking komen voor financiering via het NRF. Slechts als de eigenaar de kosten van rente en aflossing niet kan dragen of onvoldoende onderpand kan geven, kan financiering door NRF niet mogelijk zijn. Dat lijkt voor geen of weinig van de eigenaren van de 12 monumenten het geval.
Kunt u aangeven hoe u de structurele ondersteuning van iconische monumenten vorm denkt te gaan geven? Gaat u daar structureel aanvullend op de bestaande budgetten voor monumenten ruimte in uw begroting maken?

Wij zijn verbaasd over het feit dat u 12 monumenten subsidie hebt toegezegd zonder dat daaraan een regeling ten grondslag lag. Gezien het feit dat u daarnaast niet over dit voornemen met het monumentenveld hebt overlegd en u criteria hebt gehanteerd die niet eerder in een restauratieregeling zijn vastgelegd (ANBI,sociaal-culturele functie, vrijwilligers), heeft de toekenning wat ons betreft een willekeurig en ad hoc karakter. Het lijkt niet langer te gaan om het monument, maar om de organisatie.

Ter afsluiting van uw brief meldt u dat organisaties voor stadsherstel in het verleden met
rijksmiddelen (provinciale subsidies,laagrentende leningen,duurzaamhei dsleningen en SIM) veel rijksmonumenten in stand hebben kunnen houden. Dat is zeker het geval en daar zijn we het Rijk ook dank voor verschuldigd omdat wij hiermee een belangrijke publieke taak hebben vervuld en ruimte hebben gemaakt,letterlijk en figuurlijk, voor functies die maatschappelijke van belang waren en zijn.

Dat neemt echter niet ons gevoel weg dat u voor de toekomst voor stadsherstellen geen rol ziet weggelegd bij de restauratie van rijksmonumenten,althans niet een rol die u financieel zou willen ondersteunen . We tekenen daarbij aan:
a) dat onze restauratieprojecten in veel gevallen niet voor provinciale leningen in aanmerking komen,
b) dat de SIM een onderhoudsregeling is die geen oplossing biedt voor de restauratieopgaven waarvoor de stadsherstellen zich gesteld zien.
c) dat laagrentende leningen en duurzaamheidsleningen een rentepercentage kennen dat geen/nauwelijks voordeel biedt ten opzichte van leningen bij bankinstelling. Het is op dit moment mogelijk om bij banken lang te financiering tegen een rentepercentage van 1,2%.Om die reden kan een lening bij NRF niet met subsidie worden vergeleken {lenen is per definitie minder gunstig).
d) dat slechts circa 15% van de leden van de LFHBH POM is.Weliswaar hebben deze leden voorrang in de SIM,maar dat is minder relevant waar het gaat om restauratieopgaven.Wat betreft de leenmogelijkheden bij NRF verwijzen wij naar het gestelde onder c). De afspraak dat POM's voorrang zouden krijgen in provinciale regelingen is bovendien maar door 1 provincie effectief gemaakt.

Wij blijven van mening dat het de moeite waard is voor het Rijk om bij te dragen aan het werk van de stadsherstellen. Zij beschikken over veel ervaring en kennis van restaureren,herbestemmen en het langjarig in goede staat houden van monumenten die aangepakt zijn zodat er geen nieuwe achterstanden ontstaan (er is geen uitpondbeleid). Deze rol komt nu nadrukkelijk in het geding door het ontbreken van nieuwe projecten. In het verleden hebben wij laten zien dat we op basis van relatief bescheiden subsidieregeling tientallen, regionaal verspreide, restauratieprojecten konden vlot trekken. Dit multipliereffect zouden we graag in een gesprek aan u toelichten. Wij vernemen graag spoedig van u.

Met vriendelijke groet,


A.K.D. Boon, Voorzitter

B. Ferf Jentink, Secretaris